Meeuwen

5 juli 2008

De vogels houden mij gezelschap. Ik ben nooit alleen. Ik lees, ik schrijf, ik denk, ik verlang, ik lijd, ik schrijf, en ik ben nooit alleen. De vogels houden mij gezelschap. Ik voel de bries die ze me laten voelen terwijl zij, zij vliegen. Niet ik. Ik verlang.

Vanochtend werd ik wakker. Niets leek anders dan anders. Ik was alleen in bed en de vogels waakten over mijn bed. Ik sta op, voel de zwaarte van het verlangen en wil het liefst weer in bed duiken. Maar ik loop, ik loop en de vogels vliegen. Overal om me heen vliegen zij, zonder verlangen.

Ik zoek naar de ogen van een meeuw op mijn balkon. Ik kijk hem aan. Hij kijkt mij aan. Tenminste, dat is wat ik denk, want laten we eerlijk wezen, wat weet ik nou van vogels? Ik kijk goed naar hem. Er ontstaat iets tussen ons. Hij vliegt niet weg. Hij blijft. Ik ben versteend. Ik kijk naar hem en voel het verlangen om dichterbij te komen. Nog dichterbij. Hem aan te raken, te voelen, iets te voelen.

Sereen is niet verlangen.

Ik voel de zwaarte, ik voel de wil. Ik ben niet alleen. Ik heb een vriend. De meeuw is mijn vriend geworden. Hij kijkt naar me en hij oordeelt niet. Tenminste, dat denk ik, want laten we eerlijk wezen, wat weet ik nou van meeuwen?

Hij staat er nog. Ik was even weg met mijn gedachten, maar hij is er nog. Daar waar een ander allang zou zijn weggelopen, is hij er nog. Knibbelend aan het stukje brood dat ik op het balkon had gegooid. Want laten we eerlijk wezen, waarom zou een meeuw op een balkon landen als er niets te vinden is?

Ik kijk naar hem en zoek. Ik zoek naar iets wat ik kan onthouden. Iets eigenaardigs, iets waardoor ik hem kan herkennen tussen al die andere meeuwen die me altijd gezelschap houden. Ik zoek, maar niets lijkt me bij te willen blijven. Ik voel, ik voel de zwaarte van het verlangen. Ik voel de verblindende angst, de dobberende onzekerheid, de angst om te verliezen. Maar hij is er nog.

Misschien blijft hij bij me. Misschien hoef ik niets te zoeken om te onthouden hoe hij eruitziet. Misschien hoef ik hem niet te zoeken tussen alle anderen. Misschien blijft hij bij me.

Ik zet een paar langzame passen om even weg te gaan. Even aan een andere behoefte toe te geven. Even me te verlossen van de zwaarte van al het voedsel van de nacht ervoor. Voor mij is dit een zeldzaam moment, een verheugend gevoel: het onnodige uit mijn lichaam kunnen laten verdwijnen. Het is verlichtend. Zeker fysiek, in ieder geval. Maar misschien ook intellectueel en spiritueel. Je weet maar nooit.

Ik ben terug en de meeuw is er nog. Knibbelend aan het stukje brood dat bijna op is. Misschien gaat hij weg zodra het brood op is. En dan? Hoe zal ik hem herkennen in de lucht? Want ik wil hem groeten, ik wil hem bedanken. Ik wil zijn gezelschap. Zijn gezelschap is anders dan dat van al die andere rondvliegende vogels in de lucht.

Ik wil hem herkennen. Ik wil mijn vriendschap met hem versterken. Ik wil weten dat hij om me geeft. Dat hij alleen bij mij op het balkon aan brood knibbelt en dat hij bij mij blijft totdat ik oud ben.

Maar laten we eerlijk wezen, het is een meeuw.

En het brood is bijna op.